“Heb je nu alweer in je broek geplast? Dit is al de 3e keer vandaag!”, klinkt het uit de speeltuin terwijl ik voorbij fiets. Verschrikt kijkt het kindje naar zijn mama, naar de grond en een paar seconden later weer naar zijn mama. Alsof hij wil begrijpen wat er is gebeurd en observeert wat hij zal gaan doen in deze situatie. Zuchtend pakt zijn moeder hem vast met de woorden: “Eigen schuld dat we nu naar huis gaan, had je maar niet in je broek moeten plassen!”

Wij fietsten langzaam verder. Diverse gedachten gingen door mijn hoofd, maar één vraag blijft steeds terugkomen. Plotseling vraagt mijn dochter: “Waarom was die moeder boos mama?”

Precies deze vraag hield ook mij bezig!
Zou dit jongetje expres in zijn broek geplast hebben om zijn moeder te plagen? Zodat hij niet meer in de speeltuin kan spelen? Zou het zo’n natte broek fijn vinden? Met de uitgekozen woorden suggereert deze moeder dit eigenlijk wel met haar taal.

Het effect van deze gewoontetaal kan heel groot zijn.

Gewoontetaal

Natuurlijk weet ik dat deze moeder deze woorden onbewust kiest en niet bewust wil oordelen en zeker niet over haar eigen kind. Waarschijnlijk communiceerden haar opvoeders/voorlevers op deze manier ook met haar, waardoor deze taal nu onbewust uitgesproken wordt door de volgende generatie. Ik noem dit ‘gewoontetaal’.  Vaak denk ik dan achteraf; het is alsof ik mijn moeder (of vader) hoor…

Het effect van deze gewoontetaal kan heel groot zijn. Het kind wordt namelijk veroordeeld, omdat hij zo fijn aan het spelen was. Hierdoor ‘vergat’ (zo noemen volwassenen dit dan) hij, dat hij geen luier meer droeg. Het brein is op deze leeftijd nog niet ver genoeg ontwikkeld om vooruit te denken wat de consequentie zou kunnen zijn, natte broek, uit de speeltuin, boze moeder etc. Je kunt het kind dus niets kwalijk nemen.

Het brein is op deze leeftijd nog niet ver genoeg ontwikkeld om vooruit te denken wat de consequentie zou kunnen zijn, natte broek, uit de speeltuin, boze moeder etc

De oordelende opmerkingen lijken in eerste instantie niet zo veel effect te hebben. Wanneer het kind vaker met een ‘persoonlijk’ oordeel toegesproken of gecomplimenteerd wordt, is de kans enorm groot dat dit op den duur een overtuiging van het kind zelf wordt. Wat voor veel beperkingen kan zorgen in bijvoorbeeld het zelfbeeld, aanpassingsvermogen, autonomiteit, leerproces en doorzettingsvermogen.

Voorbeeld 1
Zegt een ouder vaak; Jij bent daar te klein voor… Dan zal dit kind uiteindelijk zelf gaan zeggen in situaties: “Nee, daar ben ik te klein voor.” Het kind is werkelijk overtuigd dat hij/zij te klein is. Het kind is overtuigd geraakt van een bepaalde situatie, waarom zou het kind het nog (op een andere manier) uitproberen? En dit terwijl kinderen tonnen meer fantasie bezitten dan volwassenen. Wat zou hier de reden toch van zijn?

Veel volwassenen geloven dat er maar één manier is. Ze zijn overtuigd geraakt omdat een (groot)ouder gezegd heeft dat jij iets niet kunt, of dat dit zo niet hoort, of iets anders gericht op de persoon… Jonge kinderen komen met originele manieren om iets op te lossen. Alles kan nog in hun wereld, laat ze ontdekken, laat ze mogelijkheden onderzoeken vooral als iets nóg niet lukt. Hierin zitten de echte levenslessen. Hoe ga ik om met dit moment? Kan het anders? Wat heb ik nodig om daar te komen waar ik wil? En ja, dit kost tijd, energie, geduld en soms heel veel geduld als voorlever.

In mijn omgeving hoor ik vaak: “Laat mij maar even, dan is het sneller gebeurd”. Wat als jouw ‘ervaren collega Kees’ dat tegen jou zegt telkens als jij vol enthousiasme ergens aan begint? Na drie keer denk jij; daar begin ik maar niet aan want Kees die kan dat toch sneller… Je raakt overtuigd dat Kees dit dus werkelijk sneller kan.

Wanneer het kind vaker met een ‘persoonlijk’ oordeel toegesproken of gecomplimenteerd wordt, is de kans enorm groot dat dit op den duur een overtuiging van het kind zelf wordt.

Het kind krijgt dus ook vóórgeleefd van zijn ouders dat iets een vaststaand feit is. Zo wordt een fixed mindset (theorie van Carol Dweck ) geboren. Want deze kinderen geloven niet dat ze zelf iets kunnen veranderen door zelf iets te wijzigen of te proberen.

Voorbeeld 2
Deze vaststaande mindset geldt ook in andere situaties. “Jij bent heel creatief, maar een talenknobbel heb je niet hoor!” Ten eerste ben ik heel nieuwsgierig wáár die talenknobbels zitten op het menselijke

lichaam, en ten tweede zorgt het woord ‘hebben’ er dus voor dat je het jezelf toegeëigend. Je raakt er van overtuigd dat je de talen niet kan. Maar je denkt niet aan die ene keer dat je heel ziek was tijdens die ene belangrijke les over de grammatica, waardoor je dus een kennisgat hebt gecreëerd in plaats van het te wijden aan je aangeboren(?) talenknobbel. Oftewel, dan laat je dus de kans liggen om een taal te leren waardoor je wellicht de baan van je dromen mis loopt.

… hierdoor geloof jij dat je slim bent.

Nóg niet 

Hoe lastig is het om de gewoontetaal bewust aan te pakken. Eén geluk, je hoeft maar één woordje toe te voegen. Het krachtige woord ‘nog’. Jij bent nog iets te klein daarvoor. Het kind voelt zich door deze woorden midden in een proces zitten. De start is al gemaakt en hij/zij is bezig, onderweg naar zijn einddoel, maar kan tussendoor nog alle wegen of zijweggetjes nemen die er in zijn proces opdoemen.

 

Liefs,
Jelske

Zolukkie_jelske_mandala

 

 

P.s. Misschien heb je mijn ‘taal’ kennisgaten al ontdekt?! Mocht je ze opmerken, geef het gerust aan mij door, zodat jij bijdraagt aan mijn leerproces. Gelukkig zegt mijn geschreven taal niets over de inhoud J

 

Ook leuk;
Effectieve complimenten, hoe doe je dit?

 

 

Author

1 Comment

  1. Pingback: Taal is eigenlijk niet zo, maar toch ook wel, mijn ding

Write A Comment

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.